Ongehuwd samenwonen

Ongehuwd samenwonen

Samenwonen In de kerkenraadsvergadering van 18 februari is uitgebreid gesproken over de manier, waarop we aankijken tegen ongehuwd samenwonen en wat voor consequenties dit al dan niet zou moeten hebben voor hen die ongehuwd samenwonen. Het is voor ons als kerkenraad duidelijk dat het huwelijk zoals dat gesloten wordt bij de overheid en meestal bevestigd wordt in een kerkelijke samenkomst, ook voor deze tijd de aangewezen vorm is. Op die manier wordt het best rechtgedaan aan de bijbelse richtlijnen voor de omgang van man en vrouw. Dit onderwerp is in het verleden vaker onderwerp van gesprek geweest in de kerken. Toch is het goed om zo’n onderwerp steeds opnieuw te bekijken. In de jaren 60 was samenwonen een bewust afzetten tegen de christelijke normen. Het was van één van de uitlopers van de “seksuele revolutie”. Dat seksualiteit bedoeld is als een onderdeel van een vaste en blijvende monogame relatie werd afgewezen. Of, en hoelang je samen optrok, moest ieder zelf maar uitmaken. Een huwelijk waarin je, je vastlegde werd als hinderlijk gezien. Het was in het begin dezelfde geestesbeweging als de beweging voor vrije abortus: “Baas in eigen buik”. Normen van God en uit de bijbel mochten geen zeggenschap meer hebben in deze tijd. Geen wonder dat in de kerken fel gereageerd werd tegen het verschijnsel samenwonen. Vandaag de dag is samenwonen geen uiting van verzet meer maar maatschappelijk volledig geaccepteerd en (zeker onder jongeren) volstrekt normaal. Tegenwoordig kiest men ook bij samenwonen meestal wel voor elkaar, voor een monogame relatie waarvan men hoopt dat die voor het leven is. We praten nu dan ook over een andere vorm van samenwonen. Het bewust anti – christelijke is verdwenen. Samenwonen betekent al voor velen, vooral iets van: “Ach waarom hebben wij de overheid erbij nodig, dat zoeken we toch zelf wel uit?” “Het is toch een privé-zaak” Tegenwoordig is er bij samenwonen niets van dat “revolutionaire” begin meer over. Eigenlijk is samenwonen heel burgerlijk geworden. Zo kon het gebeuren dat een paar jaar terug in het dagblad Trouw in de rubriek over “moderne etiquette” serieus de vraag behandeld werd van een jong stel, dat zich afvroeg of het wel kon, dat je ging trouwen als je niet eerst een paar jaar had samengewoond. Ook blijkt uit de praktijk dat voor veel christelijke jongeren samenwonen eigenlijk een heel normaal gegeven is. Voor onze kerkelijke standpuntbepaling is Genesis 2:24 belangrijk. Daar zien we hoe God de relatie tussen man en vrouw bedoeld heeft. Ook wordt duidelijk dat seksualiteit alleen een plaats hoort te krijgen binnen die relatie tussen man en vrouw. Als man en vrouw zich losmaken van hun ouders (duidelijk een oude relatie afronden) en samen een nieuwe relatie aangaan, gaan ze een nieuwe afgebakende levensfase in. Die “nieuwe fase” wordt in Gen.2 aangeduid “met wie hij één van lichaam (één vlees) wordt”. Die nieuwe eenheid mogen ze op een bijzondere manier beleven in de geslachtsgemeenschap en ook (als ze die zegen mogen ontvangen) in het krijgen van een kind of kinderen. Als je de bijbel verder leest dan wordt deze basisregel op vele plaatsen onderstreept. Ook wordt duidelijk dat het Gods bedoeling is, dat man en vrouw hun leven lang in die ene monogame relatie leven. En juist om het unieke karakter te beschermen, was het huwelijk een publieke zaak. Het huwelijk werd in de familiekring gesloten, maar had ook juridische consequenties en werd daarom ook door de overheid als gegeven erkend. De manier waarop de overheid al dan niet bij de huwelijkssluiting betrokken is geweest, heeft in de loop van de geschiedenis nogal gevarieerd. De reformatorische kerken in ons land hebben er steeds voor gepleit de overheid een grote rol te geven, omdat het de taak van de overheid is om Gods regels in het maatschappelijk verkeer tot gelding te brengen. Als er met kerkelijke jongeren die samenwonen over hun relatie gesproken wordt, dan is vrijwel steeds ook bij hen het uitgangspunt, dat zij in een levenslange monogame relatie willen leven en dat zij erkennen, dat dit niet alleen een privé-zaak is. Die keus voor een levenslange monogame relatie is er wel. Tegelijk is die keus vaak ook aarzelend. Ze hebben vaak zoveel scheidingen en mislukte relaties gezien dat ze het moeilijk vinden om het verlangen dat er wel is “nu al” hardop uit te spreken door te gaan trouwen. En de rol van de overheid ziet men niet als zo erg belangrijk. Dat laatste is niet zo vreemd, aangezien de overheid zelf het huwelijk ziet als één van de vele mogelijke varianten. Hoe moet je daar vandaag de dag als kerk mee omgaan? De meerderheid van de kerkenraad kiest ervoor om dit samenwonen met onderscheid te benaderen. Als mensen samenwonen, maar daarbij de bedoeling hebben om in een levenslange monogame relatie te leven, zullen wij hen erop wijzen (en blijven wijzen) dat zij volgens de Bijbel horen te leven als gehuwden en dat wij vinden dat ze dit ook alsnog “goed moeten regelen”door te gaan trouwen. Tegelijk willen we hen laten ervaren dat ze welkom zijn en blijven in de gemeente. Als zij later alsnog besluiten te trouwen zullen we per geval kijken of en hoe wij daar biddend en zegenend als gemeente bij betrokken kunnen zijn. Een belangrijk uitgangspunt is, dat wanneer we bij mensen het verlangen om met ons de Heer te dienen herkennen , dat we dan, als gemeente, bij hen in het pastoraat bij dat verlangen willen aansluiten. Vanuit dat gemeenschappelijke vertrekpunt willen we dan verder groeien in het ontdekken van de manier waarop God wil dat wij als christenen ons leven inrichten.