Pastoraat: door wie?

Wie zorgen voor pastoraat? 

Lichaam: Hoofd en leden

Uitgangspunt bij het nadenken over het pastoraat in de gemeente en over het werk van de ambtsdragers is, dat Christus zelf de Herder van Zijn kudde is (Joh.10); Hij verzorgt en leidt Zijn volk. De Here Jezus, die in hemel is, leidt Zijn kerk op aarde door Zijn Woord en Geest. (HC Zondag 21). God heeft ervoor gekozen om daarbij steeds gebruik te maken van mensen. Wij zijn geroepen om samen een koninklijk priesterschap te vormen (I Petr.2:1-10). Alle gelovigen samen vormen het Lichaam van Christus (Rom 12, 1 Kor 12.). De kerk als Lichaam van Christus wordt bezield door de Heilige Geest, die over de kerk is uitgestort. Ieder lid van de gemeente heeft van God gaven ontvangen om die te gebruiken in de gemeente, zodat we samen toe groeien naar Gods uiteindelijke doel (Ef.4).

 

Ambtsdragers

Binnen de gemeente roept de Here sommige mensen om als ambtsdrager leiding te geven aan het functioneren van Zijn lichaam. Tijdens Zijn leven op aarde roept de Here Jezus twaalf discipelen; zij worden opgeleid en aangesteld om na Pinksteren het Evangelie te verkondigen (zowel in de wereld als in de kerk) en om de kerk, de gemeente te organiseren en vorm te geven.

 

Gemeenteleden

Als we kijken naar Ef. 4:11 en 12, zien we dat de ambtsdragers gericht moeten zijn op de toerusting en het inschakelen van gemeenteleden. Vrijwel alle elementen die wij tot het pastorale werk rekenen en die men vaak als typisch ambtelijk werk ziet, blijken in de Bijbel tot de onderlinge zorg van gemeenteleden ten opzicht van elkaar te behoren:

• meeleven en zorg voor elkaar (Rom. 12:15; I Kor. 12:26);

• elkaar leren (onderwijzen) en terechtwijzen (Rom. 15:14; Col.3:16; Hebr.3:16);

• elkaar opbeuren (1 Thess.5:14,15);

• elkaar opbouwen (Rom. 14:19; Ef 4:12)

• elkaar vermanen (1 Thess. 4:18, 5:11, Hebr. 3:13)

Ambtsdragers nemen deze taken niet van de andere gemeenteleden over, maar schakelen hen juist in. Zij gaan voorop, zijn eindverantwoordelijk, maar hebben niet het monopolie op het troosten, terechtwijzen, vermanen, bemoedigen etc. Heel de gemeente heeft een pastorale verantwoordelijkheid.

Er lijkt ons vanuit de Schrift dan ook geen bezwaar om gemeenteleden bij het brengen van de huisbezoeken te betrekken. Misschien moeten we zelfs zeggen dat een actievere betrokkenheid van gemeenteleden in het pastoraat meer recht doet aan het beeld van de gemeente zoals dat bijvoorbeeld in 1 Kor 12 getekend wordt.

Misschien voert men aan dat je bij pastoraat door gemeenteleden het gezaghebbend ambtelijk spreken mist. Toch is dit slechts in beperkte mate het geval. Het gezag waarmee een ambtsdrager spreekt, wordt gedragen door het gezag van het Woord van God. En met ditzelfde Woord mogen ook gemeenteleden elkaar aanspreken en bemoedigen.

 

Huisbezoek

Is het huisbezoek bij ieder adres in de wijk een verplichting voor een ouderling? Bij deze vraag is het goed te zien dat het Nieuwe Testament het huisbezoek niet kent. Het dichtst in de buurt van dit gebruik komt de mededeling van Paulus, dat hij iedereen in Efeze drie jaar lang nacht en dag terecht gewezen heeft (Hand. 20:31). Verder vertelt Paulus in 1 Thess. 2:11 dat hij de gemeenteleden hoofd voor hoofd vermaande en aanmoedigde.

Het is echter de vraag, of wij zomaar kunnen zeggen dat alles wat Paulus in een bepaalde situatie deed, door ons nu ook zo gedaan moet worden. Paulus stelde zelf oudsten aan of liet dat door één van zijn medewerkers doen; wij doen dat anders. Paulus wilde geen financiële ondersteuning van de gemeente die hij diende, wij kennen dat voor predikanten wel.

Dan is er nog de vraag, welke ambtsdrager dit stelselmatig, hoofd voor hoofd vermanen, zou moeten uitvoeren. Vroeger zijn deze teksten ook wel gebruikt om te zeggen dat de predikant bij elk jaarlijks huisbezoek betrokken moest zijn. Het lijkt ons goed om uit deze teksten de conclusie te trekken, dat systematische pastorale bearbeiding van alle gemeenteleden een goede zaak is. Het lijkt ons echter niet juist om hieruit af te leiden dat de ouderlingen jaarlijks zelf een huisbezoek zouden moeten brengen. Ook gemeenteleden kunnen volgens ons bij het pastorale werk in de gemeente betrokken worden.

 

Conclusie

Op grond van het bovenstaande is de kerkenraad van mening, dat we op grond van het getuigenis van de Schrift met vrijmoedigheid verder kunnen denken over de mogelijkheid om bij het pastoraat gemeenteleden te betrekken en om de ouderlingen vrij te stellen van het doen van huisbezoeken in een deel van hun wijk. Hierdoor krijgen zij de ruimte omleiding te geven aan de wijkteams en voor het verdere kerkenraadswerk.